Welkom

Dit is de website bij het boek Sappelen van Mark Ramen.
Voor 15 euro te koop bij Broese, de Utrechtse Boekenbar, Probook en Bol.com.
Op deze site is het hele boek te lezen, net als op ISSUU, Medium en Wattpad. Je kunt ook het gratis e-book downloaden. Veel plezier ermee!



Sappelen is een in de werkelijkheid geworteld verhaal.
Ruth de Rijke is slim, trots en stronteigenwijs.
Als emotioneel verwaarloosde ADD-er wil ze vastigheid en veiligheid.
Ze krijgt flexbaan na flexbaan.
Uit angst voor afwijzing verbergt ze haar gevoelens.
Zo schiet ze steeds meer in een kramp.
Waar is ze nu weer beland?
Wie zijn al deze nieuwe collega’s?
Ze begrijpt hen niet zo goed.
Wrong planet syndrome.
Wanneer ze berust in haar verleden vindt ze eindelijk haar vorm.
Milder. Geduldiger. Diplomatieker.
Ze gelooft nu dat ze het waard is om gehoord te worden.
Ze zegt geen sorry meer.

Welcome To My World

Een vrij willekeurige lijst met definities die soms helderheid biedt en soms de verwarring alleen maar groter maakt. Is dat laatste het geval, sla dit stukje dan vooral over.

Code: Iets heel moois. Voor sommige mensen. Code is software, ofwel regels in een computerprogramma. Het zijn instructies, een beetje zoals bij een recept. De eerste instructie daarvan luidt bijvoorbeeld: men neme een rode paprika, kappertjes, zoete aardappel, een aubergine, een courgette, mozarella, pesto, geraspte kaas, tomatenpuree en lasagne. Peterselie is optioneel. De tweede instructie is dat de paprika in blokjes moet worden gesneden. Zo beschrijft een recept een aantal stapjes die uitgevoerd moeten worden om van losse ingrediënten tot bijvoorbeeld een groentelasagne te komen.
Als je programmeert, dan maak je iets. Je doet iets creatiefs.

CFO, CIO, CEO: De chiefs binnen het bedrijf.

ERP-systeem, ERP-pakket, ECC-systeem, WM-systeem, CRM-systeem, subsysteem, Oracle, Exact, SAP: Het doet er niet toe. Het is software. Meer hoef je niet te weten.

Maatwerk: Dit is ook software, alleen niet kant-en-klaar gekocht maar speciaal geschreven voor een bepaald bedrijf.
In een zin: Hee Gerard, heb jij die maatwerkcode nog die je voor Empire hebt geschreven? Die kunnen we ook nog prima aan Apollo doorverkopen.

Eindgebruiker: Degene die de software gebruikt. Een speciaal soort eindgebruiker is de key user. Dat is iemand die affiniteit heeft met IT, duidelijk kan vertellen wat er mis is en software-aanpassingen kan testen. Andere eindgebruikers melden hun sores aan deze persoon, die het dan weer doorgeeft aan IT.
In een zin: Meestal is er één key user per afdeling, maar bij dit bedrijf kan elke willekeurige medewerker ineens aan je buro staan.

Developer: Ook wel computerprogrammeur, software engineer of techneut.
In een zin: Zelfs voor een developer ziet hij er erg morsig uit.

Backoffice, frontoffice: Dit is gewoon net zoals bij de McDonald’s. Kijk wie er aan de balie staat en wie achter de bakplaat, en je ziet vanzelf de verschillen.
In een zin: Ik vind die Erik meer een backoffice-type.

Release, Patch, Note: Dit zijn kleinere en grotere aanpassingen op software die niet doet wat het moet doen.
In een zin: Nou wil ik die SAP Note inspelen, zegt-ie bij de instructie dat ik eerst eenennegentig ándere SAP Notes moet inspelen!

Interface: Een koppelstuk waardoor twee (sub)systemen met elkaar kunnen praten. Zo kan een klant bijvoorbeeld automatisch bestellingen doorgeven aan het software-systeem van zijn leverancier.
In een zin: Sta ik verdorie weer die interface aan te zwengelen, Mark zou vandaag toch monitoren of-ie het deed?

Job, taak: Een bepaald programma kan ingepland worden om bijvoorbeeld ’s nachts te draaien.
In een zin: Die job van Tim is nu alweer in een timeout geëindigd, moeten we zijn autorisaties niet eens inperken?

Programmeren, debuggen, datamodel, tabel, records, uit memory lezen, data-extractie: Beschouw dit als ruis en lees snel verder.

Process flow: Een diagram dat de stappen van een bepaald proces toont. Soms moeten extra zijpaadjes worden bewandeld. Neem bijvoorbeeld de invoer van een nieuwe verkooporder. Als de klant daarbij zijn kredietlimiet overschrijdt moet eerst goedkeuring gevraagd worden aan de chef. In sommige bedrijven moet altijd eerst goedkeuring worden gevraagd. Voor alles.
In een zin: In deze projectplanning is alleen rekening gehouden met de happy flow, niet met de normale process flow.

Ticket: Op helpdesks wordt meestal een ticketsysteem gebruikt om vragen, problemen en verzoekjes van gebruikers mee te administreren. Elke melding krijgt een nummer en alle correspondentie die volgt wordt onder dat nummer bewaard. Tickets zijn change requests (ik zou wel willen dat…) of incidenten (help!).
In een zin: Kees pakt altijd de kleine tickets eruit en laat de ingewikkelde over voor ons.

Functionele specificatie: Een beschrijving van wat een bepaalde functie doet, leesbaar voor eenieder. Technische specificatie: Een slechts door enkelen te begrijpen werkstuk. Beide zijn nooit up to date.

Testen van software: Een softwaresysteem kent verschillende omgevingen. Voordat een programma-aanpassing mag worden doorgevoerd in de productie-omgeving, moet hij eerst langs de ontwikkel-, test- en acceptatie-omgeving. In elke omgeving wordt de code geverifieerd. Een zandbak is, het woord zegt het al, een speciale testomgeving waar je in mag spelen. In die omgeving hoef je niet voorzichtig te zijn, want er kan niks stukgaan.
In een zin: Gooi maar door, ik heb geen tijd om dit te testen. We zien in de productie-omgeving wel of er nog fouten in zitten.

Testverslag: Developers en key users documenteren hierin wat ze getest hebben en wat daarvan het resultaat was.
In een zin: Ik heb in deze toko nog nooit één testverslag gezien.

Uitrollen, implementeren: Een systeem in gebruik nemen.
In een zin: De legacy-software was al vervangen door een SAP-systeem, maar toch besloot de interim manager tot een nieuwe greenfield SAP-implementatie.

Uitfaseren: Dit is het tegenovergestelde van implementeren.
In een zin: Al die oude code staat er gewoon nog tussen, er is helemaal niks uitgefaseerd.

Cloud: Er is geen cloud. Het is gewoon andermans computer.

Duidelijk, toch?

Eerste Baan

Ruth is zenuwachtig. Ver voor de wekker is ze al wakker. Ze staat op van haar matras. De kou van de vloer is erin getrokken vannacht. Brak stapt ze de woonkamer in. Een kale witte ruimte. Het ruikt er nog naar verf. Midden op de betonnen vloer heeft ze een gekregen kleed neergelegd; een schaamlapje. Ook de meubeltjes van haar studentenkamer vallen weg in deze grote kale ruimte. Ik groei er wel in, in dit appartement, spreekt ze zichzelf toe. En die stad went ook wel. De mensen zijn hier gewoon een beetje anders.
Gistermiddag is ze al een keer naar haar werkplek gefietst, want ze wilde niet dat er vandaag iets misging. Ze kent zichzelf, ze is nog in staat om te verdwalen op de hoek van haar eigen straat.
Gespannen vertrekt ze die ochtend naar het onderzoeksinstituut waar ze gaat werken. Ze is veel te vroeg en fietst nog een paar blokjes om voor ze uiteindelijk naar binnen gaat.

Rudolf, haar nieuwe chef, loopt haar al tegemoet.
Ah, Ruth, daar ben je. Kom maar mee!
Tijdens het sollicitatiegesprek zag ze het al: Rudolf is een beetje een gladde glipper. Linnen sjaaltje om z’n nek. Uit zijn mond stroomt een ononderbroken woordenvloed. Eromheen speelt constant een vage grijns. Omdat Rudolf maar een klein mannetje is, zakt ze een beetje door haar knieën als ze met hem praat. Ze wil niet te ver boven hem uitsteken.
Rudolf leidt haar door een doolhof van smalle gangetjes en zwaait dan een deur voor haar open.
Even voorstellen, zegt hij. Kamiel, Ruth, Ruth, Kamiel. Jullie worden kamergenoten.
Hai, zegt Kamiel.
Hai, zegt ze.
Hier is ze dan nu. Haar eerste baan, haar eerste collega.

Kamiel is een schappelijke kerel met een stevige handdruk. Hij straalt rust uit. Ze buigt zich onhandig voorover wanneer ze hem de hand drukt. Met haar elleboog veegt ze zijn koffiemok van tafel.
Ach, nu is meteen het tapijt gedoopt, lacht hij toegeeflijk. Dat zag er nog veels te nieuw uit.
Ze gaat zitten en probeert eerst maar eens haar computer aan te krijgen. Ze kruipt onder haar buro en rommelt wat met de snoertjes. Uiteindelijk floept haar beeldscherm aan en kruipt ze rood en verhit op haar stoel.
Kamiel bestudeert haar zorgvuldig, ziet ze vanuit haar ooghoeken. Ze probeert zichzelf door zijn ogen te zien. Zie is groot en hoekig en heeft zware wenkbrauwen. Ik moet niet teveel fronsen, bedenkt ze zich. Dan kom ik onvriendelijk en stuurs over. Ik moet veel glimlachen, dat hebben de mensen graag.
Kom je van ver? vraagt Kamiel.
Ik woon in Laputa, vertelt ze. Een wooncomplex aan de rand van Utrecht. Ik heb vorige week de sleutel gekregen.
Kamiel fluit tussen zijn tanden.
Dan betaal je een pittige huur, zegt hij. Daar ben ik ook begonnen, maar ik heb nu een koopwoning een paar straten verder. Met een spaarhypotheek, dat is fiscaal het voordeligste.
Hoe heb je die dan gekregen? vraagt ze. Jij zit toch ook flex?
Op mijn vorige vaste contract, legt hij uit. En het salaris van mijn vrouw hebben we ook half meegerekend. Want zometeen zullen er wel kindjes komen hè?
Hij lacht er bij voorbaat al trots om.
Zal ik je even rondleiden? vraagt hij. Dan laat ik je ook meteen zien waar de koffiecorner is.
Graag, veert ze op.
Kleine pasjes, vermaant ze zichzelf. Nu niet van die grote bonkige stappen nemen.

Het Instituut Voor Veiligheid is klein, er werken maar vijfentwintig mensen.
Wat haar meteen opvalt is dat er maar één vrouwelijke senior werkt. Ze is getrouwd met één van de mannelijke senioren. De enige andere vrouwelijke junior onderzoeker is er ook net. Jessica heet ze. Ze zit op een jaarcontract, net als zijzelf. Jessica is een knappe meid met lang golvend haar. Ze ziet er altijd uit om door een ringetje te halen. Preppy. Ruth heeft ook haar best gedaan om er keurig uit te zien. Ze hoopt maar dat ze een overtuigende nette mevrouw kan neerzetten. Ze heeft een simpel gestreept shirt en een beige werkpantalon aangetrokken. Haar korte haar heeft ze glad naar achteren gekamd. Ze heeft al veel geklust in haar eerste appartement. Gelukkig valt haar broek precies over al haar blauwe plekken heen, zodat niemand kan zien hoe gebutst ze er bij loopt.
De andere vrouwen werken allemaal op het secretariaat.

Ze kan het goed vinden met Kamiel. Hij wil graag met haar sparren over allerlei onderwerpen.
Ze doet welwillend mee. Kamiel is echt geïnteresseerd in veiligheid, hij heeft er veel over gelezen. Zij heeft gesolliciteerd op alles wat los en vast zat en is allang blij dat ze nu deze baan heeft. Hij sluit goed aan op haar studie beleidswetenschappen dus dan zal hij wel bij haar passen, denkt ze.
Ze heeft nog een gesprek met een projectleider waar ze voor gaat werken en dan is de dag alweer voorbij.
Ze fietst weer terug naar haar nieuwe flat.
Ik voel me nog niet echt thuis hier, peinst ze. Mijn nieuwe collega’s praten alleen maar over banale onderwerpen als hypotheken en kinderen krijgen en zo. Er is hier niemand met wie ik het kan hebben over Star Trek The Original Series. En ze zeggen sjips in plaats van tjips, en puzelen in plaats van puzzelen. Ze zijn heel aardig, het werk lijkt me ook wel leuk. Maar oh, wat moet ik hieraan wennen.
Moe sluit ze die avond haar ogen.

Wandelen

Die vrijdagmiddag gaan ze met z’n allen naar het café. Ze komt naast Misha te zitten, de chef van Rudolf. Die is dan al een beetje aangeschoten. Misha denkt zichtbaar na als hij haar ziet en buigt zich dan welwillend naar haar toe.
Ik weet nog goed, de eerste vrouw die ik aannam. Een pittige tante, serieus, hardwerkend. De tweede die ik aannam was héél anders, zegt hij, nog steeds verbaasd. Veel vrolijker dan de eerste. Praatte met iedereen. Ook een goeie, hoor.
Ja, raar hè, denkt ze, dat de ene vrouw de andere niet is. Het lijken verdorie wel mensen.
Misha zit te dichtbij. Ze ruikt de alcohol. Ze gaat naar het toilet en kiest daarna een andere barkruk. De collega waar ze nu naast zit legt zijn hand op haar knie.
Tijd om naar huis te gaan, besluit ze. Ze is de eerste die vertrekt.

De maandag erop paradeert Rudolf trots rond met een piepjonge stagiaire.
Ik heb er één genomen die ook Jolanda heet, net als m’n vrouw, grapt hij. Dan kan ik me niet vergissen.
Ruth bijt zich vast in het project waar ze aan mag meewerken. De ochtend vliegt voorbij. Heel snel al is het half één, tijd voor het dagelijkse lunchrondje.
Ze kijkt om zich heen.
Waar is Kamiel? vraagt ze aan Rudolf.
Die is weg, zegt hij.
Is-ie al gaan wandelen? Dan ga ik zelf wel een rondje lopen, zegt ze quasi-onverschillig.
Ze beent het kantoor uit en loopt gehaast het gebruikelijke lunchrondje, maar ze ziet Kamiel niet.
Verhit loopt ze het kantoor weer in.
Hahaha, schatert Rudolf. Kamiel was gewoon even naar het toilet. Toen hij terugkwam, was jij er al vandoor.
Oh, zegt ze bedremmeld.
Kamiel komt nu ook binnenlopen.
Waar was je? vraagt hij. Ik wilde nog op je wachten, maar Rudolf zei dat je al weg was gegaan.
Shit! denkt ze. Waarom trapte ik daar zo makkelijk in? Waarom ging ik ervan uit dat Kamiel liever alleen loopt dan met mij? Zouden dit soort dingen me niet veel makkelijker af moeten gaan? Wat zit ik mezelf soms toch in de weg. Wat ben ik toch wantrouwend. Wat lijd ik af en toe toch onder mijn eigen gedrag.
Je ziet het aan mensen. Aan hun ogen. Of ze hun eerste tegenslag op hun zesde hadden, op hun zestiende of pas op hun zesentwintigste.